Dodaj do ulubionych

Hrabia Piotr von Dönhoff

05.04.06, 13:40
Hrabia Piotr von Dönhoff,polski hrabia, rotmistrz kawalerii w Utrechcie -
byla w nim zakochana ( bez wzajemnosci) przyszla pisarka, wtedy mloda
dziewczyna Belle van Zuylen. Malo znany epizod kontaktow polsko-holenderskich
(1754-1755).
Obserwuj wątek
    • mister1 Re: Hrabia Piotr von Dönhoff 05.04.06, 13:43
      Belle van Zuylen aan Graaf Dönhoff
      Mijnheer, u doorziet mij volledig, en ik heb nog zo mijn best gedaan dat te
      voorkomen. Ik merkte het aan wat u zei, en uw gedrag heeft het bevestigd. Daar
      sprak niet veel genegenheid uit, eigenlijk alleen een besef van mijn zwakheid.
      Omdat u daar alles van weet, wil ik dat u belooft geen misbruik te maken van
      wat ik u ga vertellen. Ik voel me namelijk doodongelukkig.
      Kunt u zich de dag herinneren waarop u, juist terug uit Polen, op bezoek kwam
      bij mijn tante Singendonck? Voor u een dag als alle andere, maar voor mij een
      van de belangrijkste in mijn leven. Zodra ik u zag overviel mij een vreemd
      soort opwinding, wel heel sterk voor een meisje van veertien. Mijn verstand
      kreeg niet de tijd om te spreken, en mijn hart was gevangen voordat het ook
      maar dacht aan een valstrik.
      Niets is zo hecht als een relatie gebaseerd op een verstandelijke beslissing,
      maar mijn band met u was minstens zo hecht. Sinds dat eerste ogenblik is elke
      ontmoeting met Graaf Dönhoff voor mij een emotionele gebeurtenis geweest, ook
      als ik alleen maar aan hem dacht. Soms twijfelde ik of het wel liefde was, maar
      helaas, na uw eerste winter hier, wist ik het maar al te zeker. Het gevoel was
      onmiskenbaar: de heftigste, de meest waanzinnige en de meest ongelukkige
      hartstocht. Toen leerde ik de liefde kennen .... toen .... nee, ik bloos als ik
      terugdenk aan wat er gebeurd is.
      Ik ging weg uit Utrecht en installeerde me op ons kasteel. Maar niets kon me
      genezen: niet de afstand, het beste middel tegen de liefde, niet het verstand
      dat eigenlijk in alles de baas moet zijn, en ook niet de genante situatie dat
      ik verliefd was op een man die zijn liefde schonk aan zoveel vrouwen die dat
      niet waard waren. Niet aan mij. Bijna al zijn tijd ging op aan veroveringen:
      alle vrouwen die hij kon krijgen.
      Hoeveel hete tranen heb ik niet om u moeten schreien? Hoe vaak heb ik de dood
      niet gesmeekt een eind te maken aan die ondraaglijke, onophoudelijke strijd
      tussen mijn verstand en mijn hart, mijn liefde en mijn trots! Duizend maal
      beeldde ik mij in dat ik op sterven lag - in volle berusting - en mijn laatste
      woorden waren een tedere liefdesverklaring. Een tijdlang leed ik aan
      depressies, tot grote bezorgdheid van mijn vader en moeder. De reden daarvan
      heb ik ze nooit willen vertellen, maar ik denk dat ze het vermoed hebben, en
      dat ik daarom zo goed in de gaten gehouden word.
      Na achttien maanden kwam ik terug in Utrecht. Ik hoopte u in de ogen te kunnen
      kijken zonder mijn kalmte te verliezen. Ik maakte me bij voorbaat zenuwachtig
      en sprak mezelf moed in, en toen ik u tegenkwam bij mijn vriendinnen maakte ik
      mezelf wijs dat alles in orde was. Ik wenste mezelf geluk met mijn overwinning,
      maar na een paar keer verdween die illusie en mijn succes werd wel heel
      twijfelachtig. Ik had zo gewild mijn hartstocht voor u verborgen te kunnen
      houden, maar mijn ogen zijn te eerlijk geweest en de uwe te scherp. En omdat ze
      ongetwijfeld mijn geheim geraden hebben, heb ik het besluit genomen u dit te
      schrijven. Ten eerste uit een onverklaarbare sympathie, en ook in de hoop dat
      u, volledig op de hoogte van mijn trieste lot, er geen grapjes over zult maken.
      Mocht deze bekentenis anders uitpakken dan is dat voor mij een geschenk uit de
      hemel. Hartstocht geeft een scherpe blik: uw gebrek aan respect zal niet
      onopgemerkt blijven en ik zal u verafschuwen.
      Oh, Dönhoff, wat ben ik toch ongelukkig! De hoogsten in het land zouden zich
      gevleid voelen als mijn keuze op hen viel en de meest zorgzame minnaar zou zich
      gelukkig prijzen met mijn tedere liefde. En wie kies ik uit? Een man die niet
      in staat is mijn liefde op juiste waarde te schatten. Die hem niet verdient,
      die niet te vertrouwen is vanwege zijn losbandige levensstijl.
      Als u mij destijds uw liefde had geschonken ... Ach, was het maar zo! Eigenlijk
      zou ik moeten huiveren als ik bedenk waartoe zo'n misstap had kunnen leiden.
      Nog afgezien van het onvermijdelijke berouw! Als het waar is dat u me nu
      liefhebt is dat een liefde die die naam nauwelijks verdient. Een gevoel te
      routineus om nog kracht te hebben. U bent zo gewend aan verandering dat u zich
      nooit aan mij zult kunnen binden.
      U moet dus niet denken dat ik me ook maar in het minst gevleid voel door uw
      `liefde', en dat ik er ooit op in zal gaan. Door mijn afkomst, mijn talenten en
      mijn opvoeding steek ik mijlenver uit boven het gros van mijn sexe-genoten. Ik
      denk aanspraak te kunnen maken op de avances van de meest onstuimige en
      zelfbewuste minnaar. Zou ik me dan tevreden stellen met de restjes van uw hart?
      Ook al zijn mijn verstand en mijn trots er niet in geslaagd mijn gevoelens aan
      banden te leggen, ze zullen een absolute heerschappij voeren over mijn daden,
      en zij verbieden mij voortaan zelfs maar vriendelijk tegen u te doen. Vaarwel
      Dönhoff, moge mijn liefde binnenkort niet meer zijn dan een droom na het
      ontwaken.
    • mister1 Re: Hrabia Piotr von Dönhoff 05.04.06, 13:44
      Lettre de Mlle de Zuylen au Comte de Dönhoff, 1754 ou 1756 Z. au C.D.
      Vous m'avez pénétrée, Monsieur, malgré tous mes soins. Vos discours me l'ont
      dit, votre air me l'a confirmé. J'y ai vu bien moins de penchant que de
      persuasion de ma faiblesse. Puisqu'elle vous est connue, je veux vous engager à
      la respecter, en vous faisant plaindre mon malheur.
      Souvenez-vous, si vous pouvez, de ce jour très indifférent pour vous, mais pour
      moi un des plus intéressants de ma vie, où arrivant de Pologne, vous vîntes
      chez ma tante Singend[onc]k; à peine vous eus-je vu, qu'une agitation inconnue,
      et bien forte pour une fille de quatorze ans, s'empara de moi; ma raison n'eut
      pas le temps de parler, et mon coeur fut pris avant qu'il se doutât du piège.
      L'attachement le plus raisonnable n'aurait pu être plus constant. Depuis lors
      je n'ai jamais vu sans émotion ni le Comte de Dönhoff ni rien qui me rappella
      son idée. Je doutais encore quelquefois si je vous aimais, mais hélas! après le
      premier hiver que vous passâtes ici, je n'en fus que trop sûre, je ne sentis
      que trop clairement la plus vive, la plus folle, et la plus malheureuse
      passion. Pour lors j'appris l'amour.... pour lors ..... Non, je rougis en me
      rappellant ces circonstances. Je quittais U.... [Utrecht] et j'allais à la
      campagne. Ni l'absence, ce grand remède à l'amour, ni la raison qui devrait
      tout gouverner, ni la honte d'aimer un homme qui ne m'aimait pas, qui en aimait
      tant d'autres, indignes d'être aimées, et qui faisait presque sa seule étude,
      son unique occupation d'en conter à toutes les femmes, rien ne put me guérir.
      Combien ne m'avez-vous pas fait verser des larmes? Combien de fois n'ai-je pas
      souhaité que la mort vint finir ce combat terrible et éternel de ma raison et
      de mon coeur, de l'amour et de la fierté! Je me suis mille fois représentée
      mourante, contente de mourir, et mes dernières paroles vous avouant ma
      tendresse.
      [1v] Je tombais pour quelque temps dans une mélancolie qui inquiéta fort mon
      père et ma mère; je n'ai jamais voulu en dire la raison, mais je crois qu'ils
      l'ont soupçonnée, et que de là vient qu'on me garde si soigneusement. Je revins
      à U.... après 18 mois d'absence. J'espérais vous revoir sans émotion. Je
      craignais, je m'armais, je vous vis chez mes soeurs, et je me persuadais que
      j'étais tranquille. Je me félicitais de ma victoire. Mais je vous vis plusieurs
      fois. L'illusion disparut, et mon triomphe fut bien douteux. Je voulais tant
      que je vivrais vous cacher ma folie, mes yeux ont été trop sincères, et les
      vôtres trop pénétrants, et ne pouvant douter qu'ils m'aient devinée, je me suis
      résolu à vous écrire ceci. D'abord par un certain penchant dont je ne puis
      expliquer la cause, et puis par ce que j'espère, que connaissant tout mon
      malheur, vous ne vous en moquerez point. Si le contraire arrive, si cet aveu
      vous donne du mépris, ce sera pour moi un vrai bonheur. La passion est
      clairvoyante, je le verrai ce mépris, et vous me deviendrez odieux.
      Ah! D..., que je suis malheureuse! Mon choix pouvait flatter le plus grand
      orgueil, ma tendresse aurait satisfait l'amour le plus délicat et le plus
      tendre; et tout cela tombe sur un homme qui n'en peut sentir le prix, qui en
      est indigne par son inconstance et son libertinage. Si vous m'aviez aimé
      autrefois... Eh! puis je le souhaiter! Ne devrais-je pas frémir en pensant aux
      fautes où cela eût pu me conduire, et aux regrets qui les auraient suivis. S'il
      est vrai que vous m'aimiez à présent, c'est d'un amour qui à peine en mérite le
      nom, trop de fois senti pour avoir encore quelque force, trop accoutumé à
      changer d'objet pour se fixer sur moi.
      Aussi ne pensez pas que j'en sois fort flattée, ni que je veuille jamais y
      répondre. Moi que la nature et l'éducation ont mis au-dessus de la plus grande
      partie de mon sexe, moi qui crois mériter l'hommage de l'âme la plus indomptée
      et la plus fière, me contenterai-je des restes de votre coeur? Si la raison et
      la fierté ont eu peu d'empire sur mes sentiments, elles en auront un absolu sur
      mes actions, et elles me défendent désormais jusqu'au soin de vous plaire.
      Adieu D..., puisse mon amour n'être bientôt plus que comme un songe après le
      réveil.

      J.A.E.
    • mister1 Re: Hrabia Piotr von Dönhoff 08.05.06, 21:16
      jak by kto nie wiedzial, Belle van Zuylen to pisarka - mieszkala w zamku Oud
      Zuilen, gdzie jest teraz muzeum ( Utrecht)
      • filomena1 Re: Hrabia Piotr von Dönhoff 09.05.06, 09:18
        to jeszcze , proszę mister1 bądz uprzejmy i opowiedz coś o von Donhoff ie, bardzo proszę.
        • mister1 Re: Hrabia Piotr von Dönhoff 09.05.06, 15:01
          na temat samego Piotra niewiele wiadomo - sama rodzina von von Dönhoffow
          figuruje w herbarzu szlachty polskiej Bonieckiego a znana Marion von Dönhoff
          (Die Zeit") tez pochodzi z tej samej rodziny. Warto tez przejrzec link:
          ra.skrzynka.pl/~kwitajny/index.php?name=historia_2
          • filomena1 Re: Hrabia Piotr von Dönhoff 09.05.06, 16:04
            to pruska rodzina i pruski tytuł.
            • mister1 Re: Hrabia Piotr von Dönhoff 09.05.06, 16:39
              zajrzyj sobie do polskiego herbarza ( a w ogole to cos marnie u ciebie ze
              znajomoscia historii - no ale o tym to juz wiedzialem)...
              • filomena1 Re: Hrabia Piotr von Dönhoff 09.05.06, 18:19
                bardzo proszę o mały wykład, będę zobowiązana.
                Z góry dziękuję
                Fil.
                • mister1 Re: Hrabia Piotr von Dönhoff 09.05.06, 18:42
                  nie slyszalas nigdy o rodzinie von Dönhoffow - poczytaj sobie podany link.
                  Oficer w ktorym zakochala sie maloletnia Bella z Zuilen byl najprawdopodobniej
                  zolnierzem zacieznym i widocznie uwazal sie za Polaka:

                  In 2003 vond Kees van Strien in Het Utrechts Archief onbekende teksten van
                  Belle. Er is een brief bij die Belle schreef aan haar eerste liefde, de poolse
                  graaf Pieter von Dönhoff, geschreven portretten en brieven van een afgewezen
                  minnaar...

Nie masz jeszcze konta? Zarejestruj się


Nakarm Pajacyka